Groot Rotterdam
Dat Groningers zich niet zo vaak in Rotterdam vertonen is begrijpelijk. Dat de Noord-Hollanders onze havenstad ook nauwelijks aandoen ligt minder voor de hand. Maar dat het zo is kan ik uit eigen ervaring meedelen. Je zal alle inwoners boven het Noordzeekanaal de kost moeten geven die heel Europa en Azië hebben doorkruist maar van hun leven nog nooit de haven van Rotterdam hebben gezien. Op zijn hoogst een keertje naar U2 in de Kuip of Ahoy, maar dan na afloop snel weer maken dat je thuis komt. Zo ongeveer ken ik het Rotterdamse perspectief vanuit mijn eigen Zaanstreek en verder richting Alkmaar wordt het natuurlijk alleen nog maar erger.
Het Noordzeekanaal heeft er natuurlijk niets mee te maken want voor de Amsterdammers bestaat Rotterdam al helemaal niet. Die vergapen zich liever aan hun eigen lege containerhaven (wat geeft ie ‘s avonds mooi licht hè?) dan zich te verwaardigen om ook maar één blik richting Euromast te werpen. Ergens dwars door de Randstad loopt een onmiskenbaar mentaal gordijn dat Rotterdam aan het zicht onttrekt. Te wijds, te werelds, te groot en te internationaal om door de rest van het land begrepen te worden. De enige Nederlandse stad met wat waarachtig bijna een echte skyline begint te worden. De enige stad zonder straatjes en steegjes en grachtjes en haventjes en bruggetjes en poortjes en kerkjes en hofjes en marktjes en weetikal wat nog niet meer voor andere tuttigjes. De enige Nederlandse stad waar alles eindelijk gewoon eens lekker groot is, waar je een heel klein beetje kan ontsnappen aan het Madurodamgevoel. Alsof je eindelijk lucht krijgt.
Dat wijds ademende Rotterdamgevoel krijg ik vooral op een boottochtje door de haven. Jaaaaa, die haven, die niemand wat kan schelen, waar iedereen zijn schouders over ophaalt, de grootste of op een na grootste ter wereld, het zal wel. Niemand weet hoe groot die is want het duurt veel te lang om er helemaal doorheen te varen. Na een uur draait de rondvaartboot weer om met de achteloze mededeling dat de Noordzee dan nog 25 kilometer verderop ligt. De containerhavens die binnen bezoekbereik liggen zijn al indrukwekkend genoeg maar nog kinderspel bij wat er verderop te zien zou moeten zijn. De echt grote jongens vervoeren in hun eentje tegenwoordig al 9000 stuks. Dobber er eens langs met je rondvaartbootje, staar omhoog langs de afgrond en probeer je eens voor te stellen wat daar allemaal in zit. Als je die dimensies even goed tot je door laat dringen laat je kreten als postindustriële samenleving, diensteneconomie en virtuele internetwereld niet meer zo hard klinken. Zo ongeveer elk voorwerp waar we ons mee omringen komt daar die haven binnen. Er is een aparte haven voor vruchtensap. Laat voor de ingang een mammoettanker zinken om een paar maanden de boel eens volledig te blokkeren en zie dan wat er van onze diensteneconomie overblijft. Het ganse raderwerk komt knarsend tot stilstand want er is geen koffie meer. Om maar eens iets te noemen.
Een enorme filmprojectie op drie wanden tegelijk in het Maritiem Museum blijkt de dimensies ook goed in beeld te brengen. Op wilde stormgolven wordt een loodsbootje hoog en laag alle kanten op gesmeten tegen de boeg van een schip waarvan alleen de schroef al groter is dan dat hele bootje. Een verdieping hoger zijn de meest prachtige schepen in alle soorten en maten te bewonderen die wij ooit als zeevarende wereldmacht naar alle windstreken hebben gestuurd. Verderop in de Kunsthal de wereldomvattende kaartencollectie van de Hollandse Johannes Vingboons. Die moet zijn hele leven op zee hebben doorgebracht want zo ongeveer elke belangrijke baai en haven in elk werelddeel is door hem in kaart gebracht. We hadden het toch wel hoog in de bol. Vanaf wanneer zijn we onszelf eigenlijk een klein landje gaan noemen?
Zo wordt na een bezoek aan Rotterdam eigenlijk alles heel groot. Het mentale gordijn is nergens meer te bekennen want dat hing natuurlijk alleen maar in je eigen hoofd. Groningers of Hollanders, in ons allen stroomt het bloed van Groot Rotterdam.