De Toegangsdijk  

Een van de mooiste toeristische attracties van Nederland zou eigenlijk de Afsluitdijk moeten zijn. Bij het monument is altijd wel een bus Japanners te vinden, maar echt storm loopt het daar niet. Jaaaa, dat monument ligt dichter bij Holland dan bij Friesland, niet op de helft dus, dat willen de Friezen altijd graag even horen, al zullen de Hollanders ongetwijfeld de nodige waterloopkundige argumenten kunnen aanvoeren waarom dat zo is gekomen (dát ben ik nou even kwijt, zoeken we op).

Door mijn regelmatige spreidstand tussen Noord en West ben ik allang de passeerteller kwijt geraakt maar ik ben nog altijd een echte afsluitdijkliefhebber. Het gevoel dwars door de zee te rijden blijft fascinerend en ergens op de helft, met die weidse blik op de Zuiderzee, voel ik altijd weer geruisloos de panelen verschuiven. Zodra de sluizen van Friesland in de verte in zicht komen krijg ik weer het gevoel thuis te zijn, hoewel ik in hardnekkige kilometers gemeten dan nog maar op de helft ben.  

Het is dus eigenlijk meer een toegangsdijk. Noord en West opnieuw verbonden. Opnieuw? Hoe bedoel je? Dat vereist enige uitleg. Een van de mooiste studies die ik de laatste jaren heb gelezen is Barges and personal transport in the Dutch economy 1632 - 1839 van de befaamde historicus Jan de Vries. Barges, dat moest ik ook opzoeken, zijn trekschuiten. Nu roept dat onmiddellijk associaties op met absolute traagheid, maar tot het eind van de 19e eeuw was de trekvaarteninfrastructuur in Nederland een efficiënt verbindingsnetwerk tussen West en Noord dat zijn weerga in Europa niet kende. Betrouwbare lijndiensten brachten goederen en reizigers binnen een paar dagen van Antwerpen naar Veendam. Het ging misschien niet vlot, maar dure en oncomfortabele diligences kwamen over de toenmalige hobbelende wegen ook niet boven een gemiddelde van 7 kilometer per uur uit.  

In dit trekvaartennetwerk was het Noorden toentertijd via de Zuiderzee snel en direct met Holland verbonden en vormde economisch gezien samen met het Westen een hechte eenheid. Een interessante gedachte: wat nu een barričre is was toen een snelweg. Als je in Amsterdam van de trekschuit overstapte op een zeilschip naar Stavoren kwam er pas echt vaart in. De verbindingskaarten van toen laten een directe lijn zien van Amsterdam naar Leeuwarden, hetgeen eigenlijk tot de conclusie moet leiden dat Leeuwarden vroeger dichterbij de Randstad lag dan nu. De rest van het land (Utrecht, Gelderland, Brabant, het Oosten) was namelijk nauwelijks op het trekvaartennetwerk aangesloten, en is pas met de komst van het spoor en de autowegen dichter tegen Holland aangekropen. Als je nu als Amsterdammer Leeuwarden of Veendam op de routeplanner intypt vind je het maar een eind, maar in de tijd van de waterwegen was Brabant of Twente relatief veel verder weg.  

Heeft de Afsluitdijk hierin nu verandering gebracht? Niet echt, het was natuurlijk in de eerste plaats een waterbouwkundig project en ongeschikt om de as Amsterdam-Groningen weer aan de praat te krijgen. De wegverbinding bracht Friesland wel weer dichter bij Holland, maar onvoldoende om de geleidelijk groeiende psychologische afstand tussen West en Noord tegen te gaan. Met de auto blijft het vanuit Amsterdam naar Leeuwarden een behoorlijk ommetje vergeleken met de vroegere rechtstreekse zeilverbinding. En tjsa, het valt niet te ontkennen dat het eigenlijk sindsdien tussen Noord en West nooit meer helemaal goed is gekomen, en niet alleen in het economische verkeer. In 1900 vestigden dichters, schilders en ander intellectueel volk uit bijvoorbeeld Den Haag zich als vanzelfsprekend in Groningen, toentertijd nog na Amsterdam en Rotterdam “de derde handelsstad des lands”. Kom daar nu eens om, je wordt meteen voor boer uitgemaakt en dan spreek ik uit hoogst eigen ervaring.  

Waarom dan toch “toegangsdijk” boven dit stukje geplaatst? Ja, nu wordt het moeilijk. U zult moeten toegeven dat ik tot nu toe nog een aardige regionaal-economische wetenschappelijke draai aan dit verhaaltje heb kunnen geven, maar ik zal er dan nu toch mee voor de draad moeten komen. De term is afkomstig van een dierbaar familielid in het Westen die een leuke manloze vriendin heeft en mij vorige week heeft ingepeperd dat ik die Afsluitdijk zo moest zien. Nu begrijpt U het. Ik ben als Groninger verliefd geworden op een vrouw in de kop van Noord-Holland.